Groen Erfgoedzorg

Bescherming van water en bodem

Ontgrondingenwet

Onder ontgronden wordt iedere activiteit verstaan, die – hoe klein ook – een (tijdelijke) verlaging van het maaiveld of een waterbodem tot gevolg heeft. Voorbeelden zijn winning van grond, tijdelijk verplaatsen (kuil graven en weer dichtgooien) en egaliseren. Voor een ontgronding is in principe een vergunning nodig, tenzij er een vrijstelling van toepassing is. Voor ontgrondingen in rijkswateren (incl. het zomerbed van rivieren) is RWS namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegde gezag en voor het overige de provincie. 

Of een vergunning nodig is, kan per provincie verschillen. In de provinciale verordening kunnen bepaalde ontgrondingen zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, maar moeten deze wel gemeld worden. Aan de vrijstelling kunnen tevens voorwaarden zijn verbonden. Vaak zijn ontgrondingen die passen in het geldende bestemmingsplan en niet dieper gaan dan 3 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld vrijgesteld van deze vergunningplicht. De ontgrondingenvergunning maakt geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning en moet dus apart bij RWS of de provincie worden aangevraagd. 

Handelingen met grond of baggerspecie of bouwstoffen (Besluit bodemkwaliteit)
In het Besluit bodemkwaliteit (hierna Bbk) gelden voor handelingen met grond en baggerspecie ongeveer dezelfde verplichtingen. Daarnaast gelden er regels voor bouwstoffen, waaronder steenachtige materialen. Het Bbk is van toepassing op zowel schone als (licht) verontreinigde grond/baggerspecie/bouwstoffen. De gemeente is het bevoegd gezag voor de droge bodem en het waterschap voor de waterbodem.

Grond/baggerspecie
Grond en baggerspecie die van elders wordt  aangevoerd, moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Die kwaliteit blijkt uit een keuringsrapport (officieel: milieuhygiënische verklaring) dat is opgemaakt door een daartoe door de minister van Infrastructuur en Waterstaat erkend persoon of bedrijf. Of een persoon/bedrijf erkend is, kunt u controleren op de website van RWS Leefomgeving/Bodem. De kwaliteit van de grond/baggerspecie moet tenminste gelijk zijn aan de functie van de bodem waar de grond/baggerspecie wordt toegepast. Zo mag grond geschikt voor de functie industrie niet worden toegepast in een park of tuin. Uitgangspunt is dat de bodem geschikt moet blijven voor de functie die erop wordt uitgeoefend. Het Bbk geeft hiervoor generieke (= algemene) normen. Het lokale bevoegd gezag (gemeente of waterschap) kan zelf andere normen vaststellen in een bodemkwaliteitskaart of bodembeheerplan. Naast de algemene eis dat de toepassing van grond en baggerspecie nuttig moet zijn (‘functioneel’), zijn de toepassingen beperkt tot een bepaald aantal handelingen, die zijn opgesomd in artikel 35 Bbk.  Bijvoorbeeld voor het ophogen van landbouw- en natuurgronden ter verbetering van de bodemgesteldheid, verspreiding van baggerspecie uit een watergang ter herstel of verbetering van de naastgelegen percelen en tijdelijke opslag ten behoeve van de toegelaten handelingen (op landbodem tot maximaal 3 jaar).

Alle toepassingen van grond en baggerspecie moeten gemeld worden bij het digitale Meldpunt bodemkwaliteit. Er geldt een paar uitzonderingen, waaronder het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden kleiner dan 50 m³. Voor het toepassen van schone grond en baggerspecie in hoeveelheden vanaf 50 m³ moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld. Verder geldt een uitzondering voor het tijdelijk verplaatsen van grond of baggerspecie, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw wordt aangebracht.

Bij het toepassen van grond of baggerspecie van elders, is het ook belangrijk te letten op de aanwezigheid van eventuele restanten van invasieve uitheemse soorten in de grond of baggerspecie. Dit zijn dier- en plantensoorten die de inheemse soorten verdringen en de biodiversiteit bedreigen. Ze hebben meestal ook geen natuurlijke vijanden in ons land. Een belangrijk actueel voorbeeld zijn de drie Aziatische duizendknoopsoorten, waarvan de Japanse duizendknoop het meeste voorkomt. Deze soorten zijn moeilijk te bestrijden en het wortelstelsel is zo sterk dat het bijvoorbeeld de (stenen) fundering van gebouwen en wegen kapot maakt. In baggerspecie kunnen (restanten van) bijvoorbeeld de invasieve uitheemse waterplant Watercrassula voorkomen of van een van de Amerikaanse rivierkreeftsoorten.

Bouwstoffen
Bouwstoffen, waaronder steenachtige materialen, mogen altijd worden toegepast, mits de toepassing functioneel is en de bouwstof ook geschikt is voor de functie (bijvoorbeeld sterk genoeg om als oeverversteviging te worden toegepast). Te veel of niet geschikt materiaal wordt beschouwd als afvalstof. Verder dienen bouwstoffen ook te voldoen aan kwaliteitseisen zoals hiervoor omschreven voor grond en baggerspecie. Een en ander moet ook blijken uit een milieuhygiënische verklaring. Alle toepassingen van bouwstoffen moeten gemeld worden bij het Meldpunt bodemkwaliteit. 

Graven in verontreinigde grond
Is het nodig om in de grond te graven en komt u daarbij verontreiniging tegen, dan dient u dit te melden bij de gemeente (artikel 27 Wet bodembescherming). Soms is het aan te raden om voorafgaand aan graafwerkzaamheden een bodemonderzoek te doen, bijvoorbeeld als uit historisch onderzoek blijkt dat op de betreffende locatie bedrijfsmatige activiteiten hebben plaatsgevonden die geleid kunnen hebben tot bodemverontreiniging. Als u zelf verontreiniging veroorzaakt, dient u deze zo spoedig mogelijk te verwijderen op grond van de zorgplicht van de Wet bodembescherming (artikel 13). Een dergelijke zorgplicht geldt ook voor oppervlaktewater en de bodem daarvan (artikel 7 Bbk resp. art. 6.8 Waterwet).

Bescherming van het water binnen groene monumenten

Als u activiteiten uitvoert in oppervlaktewater of grondwater, dan gelden daarvoor regels op basis van de Waterwet. Voor het lozen van schadelijke stoffen in het water is in beginsel een vergunning vereist. Voor een aantal activiteiten geldt geen vergunningplicht, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie overeenkomstig het Bbk (zie hiervoor). Dit geldt ook voor het verontdiepen van (zandwin-)plassen die weer geschikt worden gemaakt voor recreatie of natuurgebied. Voor de grote oppervlaktewateren en vaarwegen is Rijkswaterstaat meestal het bevoegd gezag (ook aangeduid als waterbeheerder); voor regionale wateren (sloten, plassen e.d.) het waterschap (raadpleeg hiervoor ook de Keur = verordening van het waterschap) en in grondwaterbeschermingsgebieden de provincie (raadpleeg hiervoor de provinciale milieuverordening).

Dempen van watergangen
Voor het dempen van watergangen (bijvoorbeeld sloten) heeft u altijd toestemming nodig van de betreffende waterbeheerder. Als dempingsmateriaal kan groenafval van de locatie zelf gebruikt worden, indien de gemeente daarvoor een ontheffing verleend (art. 10.63 lid 2 Wet milieubeheer).  

Baggeren in oppervlaktewater
Baggeren van een watergang gebeurt meestal om de watergang op het gewenste profiel te brengen. Het gewenste profiel staat in de legger van de waterbeheerder. Bij baggerwerkzaamheden treden altijd lozingen op, in de vorm van mors en vertroebeling. Voor dergelijke lozingen zijn algemene regels opgenomen in het Besluit lozingen buiten inrichtingen (art.3.17 tot en met 3.19). Lozingen als gevolg van ontgravingen of baggerwerkzaamheden is toegestaan. Als de verontreinigingen in de waterbodem de interventiewaarden (= bepaalde mate van verontreiniging) overschrijden, moet voor het baggeren een werkplan worden opgesteld waarin maatregelen zijn opgenomen om het lozen zo veel mogelijk te beperken. Baggerwerkzaamheden in rijkswateren moeten worden gemeld (via het Omgevingsloket online). Bij de melding moet het werkplan (indien dat is vereist) worden meegestuurd. 

Baggerwerkzaamheden in regionale wateren zijn niet meldingsplichtig als ze worden uitgevoerd door of in opdracht van de waterbeheerder of worden uitgevoerd vanwege een onderhoudsverplichting op grond van een verordening van het waterschap (op grond van art 78 Waterschapswet).

Gebruikmaken van waterstaatswerken
Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of kunstwerk zoals een sluis of brug) kan een watervergunning vereist zijn. Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de Keur (en eventuele algemene regels op grond van de Keur) van het waterschap.