Groen Erfgoedzorg

Bescherming van monumentale groene waarden

Erfgoedwet 2015 (in werking treding 1 juli 2016)

De Erfgoedwet gaat over de bescherming van (door de mens vervaardigde) roerende (= cultuurgoed) en onroerende (= monument) zaken die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde. Bij groene monumenten is dat de aanleg van het groen. Er kan ook sprake zijn van een zgn. ‘ensemble’, waarmee de verwevenheid van gebouw(en), interieur, (groene) omgeving en ondergrond wordt aangegeven. Voor ensembles is in de wet geen aparte aanwijzing opgenomen. De regels voor de aanwijzing van rijksmonumenten bieden voldoende ruimte om recht te doen aan de waarde van ensembles in een ruimtelijke context, de zogeheten complexen. Zo zijn in veel gevallen de tuinaanleg en de diverse gebouwen die tezamen een landgoed of buitenplaats vormen, in onderling verband beschermd. 
De beschermde aanleg van bijvoorbeeld een tuin of park – al dan niet deel uitmakend van een complex- staat voor rijksmonumenten beschreven in het aanwijzingsbesluit op grond waarvan de aanleg is opgenomen in het  Monumentenregister dat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) bijhoudt. Voor provinciale en gemeentelijke (groene) monumenten staat de beschrijving in het aanwijzingsbesluit op grond waarvan de aanleg is opgenomen in het Monumentenregister van respectievelijk de betreffende provincie of gemeente (op grond van de provinciale of gemeentelijke erfgoed- of monumentenverordening).

De beschermde aanleg kan bestaan uit harde structuren zoals lanen, paden, waterlopen en reliëf, maar ook uit groene structuren die bewust zijn aangebracht en gerangschikt. Denk aan laanbeplanting, weide, parkbos, berceaus, taxushagen en een solitaire boom. De beplanting op zich is niet door mensenhanden gemaakt, maar de samenhang tussen groene en structurerende elementen wel, bijvoorbeeld het ontwerp van een in het oog springende solitaire boom in een parkweide. Die afzonderlijke boom in een open weide bepaalt dus de monumentale waarde. Bij een productiebos zit de monumentale waarde in het bos als geheel en de manier waarop het is aangelegd; een enkele boom is dan slechts een samenstellend onderdeel.

Bestemmingsplan gemeente

Het is gebruikelijk om een bescherming als rijksmonument te combineren met een planologische bescherming (via het bestemmingsplan) van de historische omgeving als geheel, waarvan ook de aanleg van een park of tuin deel kan uitmaken.

Vergunningplicht Wabo

Als er door werkzaamheden iets wijzigt aan de aanleg van het groen (zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit ten behoeve van de opname in het Monumentenregister voor het betreffende groene monument), is een omgevingsvergunning nodig op grond van artikel 2.1, lid 1 onder f van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor Rijksmonumenten. Op grond van artikel 2.2. lid 1, onder b Wabo kan een college van GS of B&W deze vergunningplicht ook van toepassing verklaren op provinciale en gemeentelijke monumenten (als zodanig aangewezen in een provinciale of gemeentelijke verordening). De aanvrager (meestal de eigenaar van het groene erfgoed) kan de vergunning online aanvragen bij het landelijke loket, het omgevingsloket Online.

Van vergunningplicht in de zin van de Wabo kan (ook) sprake zijn bij uitvoering van een werk (geen bouwwerk zijnde) of werkzaamheden, indien dat bij een (gemeentelijk) bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald (art. 2.1, lid 1 onder b Wabo; voorheen aangeduid met aanlegvergunning).

Voor reguliere, kleinschalige onderhoudswerkzaamheden aan Rijksmonumenten is meestal geen omgevingsvergunning nodig (raadpleeg de provinciale of gemeentelijke verordening voor gemeentelijke en provinciale monumenten). Dit zijn werkzaamheden die erop gericht zijn om te behouden wat er is, bijvoorbeeld gras maaien of het snoeien van heesters en bomen of het herstel van verharde paden met hetzelfde materiaal. De aanleg en het soort beplanting mogen hierbij niet wijzigen (artikel 3a van bijlage 2 bij het Besluit Omgevingsrecht, afgekort Bor). Dat zal wel het geval zijn bij extra werkzaamheden aan een park of tuin, zoals grootschalig onderhoud, herstel of een nieuwe nevenfunctie. Aanpassing van oevers van een watergang binnen het groene monument kan – afhankelijk van de beschrijving van het groene monument in het aanwijzingsbesluit t.b.v. het Monumentenregister – vergunningplichtig zijn (zie voor mogelijke vergunningplicht op grond van de Waterwet hierna onder het kopje ‘Bescherming van het water binnen groene monumenten’).

Bij twijfel is het raadzaam om – alvorens een aanvraag in te dienen – met de gemeente te overleggen (zgn. vooroverleg). De gemeente zorgt ervoor dat de eventuele verplichte adviezen (o.a. van de RCE of de gemeentelijke monumentencommissie) worden ingewonnen. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden moet u rekening houden met een doorlooptijd van 8 en bij zeer ingrijpende plannen 26 weken voordat op de vergunningaanvraag wordt beslist. Afhankelijk van de werkzaamheden kan bij het in behandeling nemen van een aanvraag worden gevraagd om een (tuinhistorisch) onderzoek, bijvoorbeeld bij een wijziging van een beschermde tuinaanleg, het verleggen van een historische padenstructuur of het dichtzetten van een zichtas. Tijdens het behandelen van een aanvraag kunnen belanghebbenden een zienswijze indienen of na het nemen van het besluit bezwaar maken tegen een verlening of weigering van een vergunning.  Pas als tegen het besluit geen rechtsmiddelen meer openstaan (= onherroepelijk is), kan met de vergunningplichtige werkzaamheden worden gestart.

Archeologische waarden

Het terrein van groene monumenten kan ook archeologische waarden bevatten. Alleen personen die beschikken over een certificaat in de zin van de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) mogen opgravingen doen. Het certificaat is een bewijsmiddel om aan te tonen dat de opgravingen op een professionele wijze plaatsvinden. Het certificaat moet zijn verleend op grond van BRL SIKB 4000 en de protocollen die van toepassing zijn. Voor de handelingen waarop de protocollen 4003, 4103, 4004 en 4104 van toepassing zijn, is een certificaat wettelijk verplicht.
Als bij de opgravingen archeologische vondsten worden gedaan dan dienen die – bij gebrek van een rechtmatige eigenaar - te worden overgedragen aan de provincie.

Voor het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van  rijksbeschermde archeologische monumenten is een monumentenvergunning vereist op grond van artikel 11 lid 2 Monumentenwet 1988. Voor deze vergunning fungeert de gemeente ook als loket. De vergunning wordt verleend door de RCE. Verder is het van belang om het gemeentelijke bestemmingsplan te raadplegen, omdat de gemeenteraad bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rekening moet houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten (art. 38a Monumentenwet 1988).

Ter bescherming van die waarden kan in het bestemmingsplan:

  • een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit verplicht worden gesteld voor bijvoorbeeld grondbewerkingen, verhogen of verlagen van het waterpeil, aanleggen of rooien van bossen, aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen, aanbrengen van diepwortelende beplantingen etc.; 
  • de verplichting worden opgenomen, dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor een aanleg- of bouwactiviteit een archeologisch rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende is vastgesteld; 
  • worden geregeld dat aan de omgevingsvergunning voor een aanleg- of bouwactiviteit in ieder geval voorschriften kunnen worden verbonden die inhouden dat:
    - technische maatregelen moeten worden getroffen waarmee archeologische vondsten in de bodem worden behouden (bijvoorbeeld diepte van graven, situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden); 
    - opgravingen moeten worden uitgevoerd; 
    - bodemverstorende activiteiten moeten worden begeleid door een archeoloog.

Beschermde stads- of dorpsgezichten

Groenstructuren kunnen deel uitmaken van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Deze gezichten vallen ook onder de Monumentenwet 1988 (zie de definitie in artikel 1 onder f). Het gaat hierbij om gebieden met een bijzonder, historisch karakter. Daartoe kunnen ook ontworpen gebieden behoren, bijvoorbeeld een villapark. De beschermde stads- en dorpsgezichten worden aangewezen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Waterstaat gezamenlijk. Na de aanwijzing stelt de gemeente voor het beschermde stads- of dorpsgezicht een beschermend bestemmingsplan op. Voor werkzaamheden die leiden tot wijzigingen van groenstructuren die deel uitmaken van een beschermd stads- of dorpsgezicht kan een omgevingsvergunning verplicht zijn (art. 2.1 lid 1 onder h Wabo).

> Bescherming van natuurwaarden

> Bescherming van de water en bodem